Joris Weitjens – Kijk op karpervijvers

Dichtbezette karpervijvers met louter kleine, goed vangbare karpers zijn hot. En dan niet zo zeer als hangijzer, maar als vermaak van velen die zonder al te veel inspanning een karper willen vangen met licht materiaal.

Dit fenomeen schijnt vanuit Engeland overgewaaid te zijn. Er is op karpergebied uit Engeland veel moois gekomen. Maar dit? Een zegen? Een gruwel? Of iets daartussenin? Laat ik meteen gezegd hebben dat mijn liefde ligt bij open water, dus enige bevooroordeeldheid is gemakkelijk geboren bij dit onderwerp. Waarom ik me dan met die karpervijvers bemoei? Ten eerste ben ik voorzitter van een vereniging met verantwoord karpeberheer in haar naam. Ten tweede zijn die vijvers veel dichterbij gekomen nu ‘onze uitzet(spiegel)karpers’ worden gebruikt en hergebruikt.

Karpervijvers live

Met een gemoedelijk groepje BVK’ers liepen we op een septemberdag in 2016 aan de hand van kweker Brecht Vandeput door het prachtige vijvergebied van de Wijers. De zon scheen, een van de zeldzaamste moerasvogels: het woudaapje vloog op. Een rijke dag. Een prachtdag en misschien kan die niet zonder dissonant. We belandden bij een vijver die niet van Vandeput was, maar wel één die naar karper geurde. Dat was geen toeval. Vandeput was er hofleverancier van pootkarper.

Het bordmodel achter zich gelaten, althans de karper…Er zaten en stonden wat mannen rond de vijver: veel dynamiek ging er niet vanuit en toch werd ik gegrepen. Gespannen keek ik mee naar de tikkende dobber. De man sloeg raak en hoewel ik aan het beperkte verzet niet kon zien dat het om karper ging, was dat wel degelijk het geval. Een onwerkelijk mager spiegeltje krulde z’n lijf, en keek me aan. Projectie of niet, ik zag de paniek in de ogen van die vis, een karper, de vis waar ik al sinds m’n veertiende van in de ban ben. Een spiegelkarper bovendien. Er welde een woord op dat bij mij dubbele klank heeft: ‘dierenbeul’. In de binnendeur van de kast van m’n zolderkamer waar ik als tienjarige sliep schreef ik met dikke stift: ‘Pest geen dieren want ze pesten jou toch ook niet!’ Dierenbeulen was in mijn jeugd ruim voldoende reden om op de vuist te gaan. Des te pijnlijker dat dat woord me als hengelaar vaak genoeg naar mijn hoofd werd geslingerd.

Het was Brecht Vandeput zelf die het perspectief schetste. Op verzoek van de ‘Lustige Vissers’ voorziet hij die ene vijver twee keer per jaar van een paar honderden kg verse karper.

Klein houden

Varianten op het fenomeen dichtbezette vijver zijn al best oud. In feite zijn die forellenvijvers van hetzelfde laken een pak. En in het zuiden van Nederland en in België worden dergelijke handzame vijvers al sinds jaar en dag afgeladen met ‘witvis’ voorn en brasem. Met natuur heeft het misschien niet veel te maken, maar de natuur houd je ook in een aangelegde vijver niet buiten de deur. De aalscholver gooide roet in het eten.

Begin deze eeuw werd voor dit soort vijvers ineens overgeschakeld op zogenaamde kruiskarpers. Een ‘halfkarper’ die niet veel groter wordt dan 50 cm. Ze leken prima ‘for the job’; immers nagenoeg aalscholverproof. Maar de rage van kruiskarpers is onlangs een stille dood gestorven. Ze schijnen te moeilijk vangbaar te zijn? Dat mag een wonder heten als je weet hoe hoog de bezettingsgraad is. En nu dan onze Cyprinus carpio en wel van de goedkoopste soort: de consumptie(spiegel)karpers uit Oost-Europa. Lumineus idee? Wij weten uit ervaring met ons Spiegelkarperprojecten dat dit type karper juist de eerste jaren na uitzetting een enorme groeikracht heeft. Door ons wordt die groei van harte toegejuicht, maar door beheerders van karpervijvers bepaald niet. Daar mogen karpers juist niet groot worden! Dan krijg je ze namelijk niet meer binnen en zwemmen de karpers binnen de kortste keren met een bek vol haakjes rond.

Worden die karpers onverhoeds toch te groot dan schuift de beheerder ze door naar groter water, is althans de bedoeling. Dat klinkt karpervriendelijk maar of dat zo is, is maar de vraag. Dat geldt ook voor de karpervijvers an sich.

Houd bij een overbezetting van vis de gezondheid van die karpers maar eens op een behoorlijk peil. Dat gaat je niet lukken. Mensen zitten raar in elkaar. Karpervissers zijn voorlopers waar het de behandeling van gevangen vis betreft, ultrasofte matten, carpcare, clinic, maar als het om beheer gericht op overbezetting gaat, wordt vaak de andere kant op gekeken.

Medeplichtig

Aan de kant staan en (ver)oordelen is best gemakkelijk. Midden jaren 1990 werd ik ‘medeplichtig’ aan ‘intensief vijverbeheer’ door in de commissie waterbeheer van de AHV (Amsterdam) te stappen. De Bosbaan, de stadsparken, en zelfs ook de Sloterplas waren dankzij grootschalige uitzettingen, overladen met karper. Ook recreatievissers waren dus gewend om bijna overal karper in flinke aantallen te kunnen vangen. Je kon het domweg niet maken tegenover met name de ouderen en invalide recreatievissers om die ‘hongerputjes’ en -vijvers zomaar ineens af te schaffen.

We verzonnen toen ook al het ‘doorschuifsysteem’: groot geworden karpers zouden naar het boezemwater gaan. Daar zouden de afgebeulde karpers herstellen en genieten van een mooie oude dag. Dat bleek anders te zitten. Het begon op te vallen dat we van die doorgeschoven spiegelkarpers zo weinig hoorden. Zo langzamerhand weten we dat de meeste, zeker de oudere karpers, zich aan de totaal afwijkende omstandigheden in het ‘overzetwater’ niet voldoende aanpassen en sterven.

We dachten dat zulke magere parkvijverkarpers te redden waren door ze over te zetten in open water. Niet dus.

Verantwoord karperbeheer kreeg in Amsterdam al gauw vaste voet aan de grond. Met de geleidelijke afbouw van overbezette wateren groeide bij steeds meer leden het besef dat er ook zonnige kanten aan zulk beheer zitten. Paradepaardjes van de AHV als de Sloterplas en de Bosbaan zijn anno 2018 veranderd in karperwateren met weliswaar niet uitpuilende, maar wel prachtige en gevarieerde karperbestanden. Een ander aansprekend resultaat (ook voor bestuurders) is dat het opheffen van een overbezetting, zoals verwacht, het probleem van papegaaienbekken door ‘overbevissing’ in onze regio al bijna tot de verleden tijd behoort.

Leden winnen

Toch is de verleiding groot. Ik hoorde een hengelsportbestuurder op mijn vraag naar het waarom van het ontwikkelen van die karpervijvers verzuchten: ‘Ja, er is vraag naar.’ Een praktijk louter rechtvaardigen door te constateren dat er vraag naar is, wekt bij mij vooral wantrouwen. De kiloknaller vaart er wel bij en voor een habbekrats de halve wereld over vliegen staan we graag in de rij, maar van bestuurders en beleidsmakers mag je vragen dat ze iets verder kijken dan de vijver groot is. Natuurlijk zijn dergelijke vijvers populair, vooral bij jeugdige en oudere vissers. Het is zelfs maar zeer de vraag of die hengelaars blijven vissen als die vijvers verdwijnen. Begrijpelijk dus wel dat er vanuit de hengelsportbestuurders en beheerders van vijvers van alles aan wordt gedaan om vijvers vol te houden, maar tegen welke prijs?

Dat er een schoen wringt voelen ook de beheerders en bestuurders. Zo verzonnen ze een andere nobele maatregel. Om zoveel karper op een klein oppervlak te kunnen houden wordt bijvoeren voorgesteld. Meer voeren leidt echter vooral tot nog meer kg karper en meststoffen per ha. Dat vergroot de problemen eerder dan dat het ze oplost.

Maar de karpers dan? Hoe lustig blijven die?

Om welke problemen gaat het dan eigenlijk? Je moet er bovenop gestaan hebben om te geloven hoeveel kg karper er in zo’n vijver wordt gepompt. Op het grote water moeten wij vechten voor uitzetting van 40 vissen per jaar op een water van 100 ha. Hier gaat het om honderden kilogrammen per ha per uitzetting. En als in de loop van het jaar de vangsten teruglopen en de leden klagen kan dat maar tot één maatregel kan leiden: ‘aanvullen’! Dat krampachtige vasthouden aan achterhaald beheer en de schade voor lief nemen, alleen om het ledental niet in gevaar te brengen doet mij althans direct denken aan het krampachtig vasthouden aan fossiele brandstof. Prima om op korte termijn te scoren maar met visie heeft het weinig te maken.

Of het bij deze vijvers nu gaat om ‘pootbrasem’, kruiskarpers of welke vissoort ook: het overgrote deel van de uitgezette vissen verdwijnt in het grote niets. Ik kan (uit ervaring en analyse van data van bijvoorbeeld de Bosbaan) wel vertellen waar dat ‘niets’ voor staat. Het gros van de uitgezette karpers verkommert en legt kort daarna massaal het loodje. Die (massale) sterfte wordt door de beheerder of eigenaar natuurlijk liever, ontkend, verbloemd of onder de pet gehouden. En als je het echt niet meer weet schuif je de kweker/leverancier van de karpertjes de zwartepiet toe.

Naast m’n persoonlijke bedenkingen bij het moedwillig opofferen van het welzijn van dieren, in dit geval karpers, voor inwisselbaar plezier van mensen, maak ik me oprecht zorgen over het imago van de gehele hengelsport als we dit soort ‘sport’ stimuleren in plaats van afbouwen en ombuigen.

Hamvraag voor beheerders van vijvers en vooral beleidsmakers en bestuurders is (of zou moeten zijn): Is het opgeven van die speciaal voor sportvisserij ingerichte en overbezette vijvers wel zo funest voor de hobby en passie die ons bindt? Ook voor het al even ‘dierenbeulerige’ vissen met levend aas bleken genoeg alternatieven om het vissen op snoek levend te houden.

Denk er nog eens over na.

Joris Weitjens

Facebooktwittergoogle_plusmailFacebooktwittergoogle_plusmail